Dat betekent: werken vanuit een visie op wat goed is voor kinderen en ouders, een standpunt kunnen innemen rond ouderverantwoordelijkheden vanuit gezag en erkenning, en vanuit een systemische positie het contact met iedere ouder en met de kinderen vormgeven.
Medewerkers leren
- werken met de vernieuwde richtlijn Scheiding en problemen met jeugdigen (NVO, NVMW en NIP, 2020);
- herkennen wanneer er sprake is van verstoord ouderschap, en de verschillende aspecten daarvan;
- de ontwikkeling van het conflict inschatten aan de hand van de escalatieladder van Glasl;
- de partnerrelatie herdefiniëren naar een ouderschapsrelatie;
- vanuit een systeemgerichte benadering kijken naar patronen en de verbondenheid van alle gezinsleden;
- hevige emoties van ouders herkennen als indicatie voor gevaar;
- doorslaggevend werken met het netwerk van gezinnen;
- gesprekken voeren met kinderen en aandacht hebben voor hun veiligheid en welzijn (Signs of Safety);
- de-escaleren en kalmeren;
- de eigen professionele integriteit bewaken en positie innemen;
- de grenzen van de hulpverlening kennen en op tijd doorverwijzen.